Тестування
Vraag 1 / 20
Werk en Loopbaan
A1
Wat heb je nodig om op een kantoor te werken?
A
Een hamer
B
Een tractor
C
Een computer
D
Een pan
Vraag 2 / 20
Boodschappen en Geld
A1
Wat heb je nodig om een karretje bij de supermarkt te pakken?
A
Een paspoort
B
Een muntstuk of een fiche
C
Een pen
D
Een boek
Vraag 3 / 20
Gezondheid
A1
Waar koop je medicijnen zonder recept?
A
Bij de supermarkt of drogist
B
Bij de bakker
C
Bij de garage
D
Bij de bibliotheek
Vraag 4 / 20
Familie
A1
Wat is "overgrootmoeder"?
A
De moeder van je opa of oma
B
De moeder van je moeder
C
Je tante
D
Je nicht
Vraag 5 / 20
Boodschappen en Geld
A1
Hoe noem je papiergeld?
A
Munten
B
Briefgeld / Bankbiljetten
C
Pasjes
D
Goud
Vraag 6 / 20
Dagelijkse handelingen
A1
Wat doe je in een "bed"?
A
Werken
B
Slapen
C
Douchen
D
Koken
Vraag 7 / 20
Boodschappen en Geld
A1
Wat is een "aanbieding"?
A
Iets wat heel duur is
B
Iets wat tijdelijk goedkoper is (korting)
C
Een nieuw product
D
Een kapot product
Vraag 8 / 20
Rekenen en Cijfers
A1
Wat is "tel"?
A
Schrijven
B
Getallen één voor één noemen (1, 2, 3...)
C
Slapen
D
Eten
Vraag 9 / 20
Onregelmatige werkwoorden
A1
Wat is de verleden tijd van "zijn" (wij)?
A
waren
B
was
C
zijn
D
bent
Vraag 10 / 20
Onderwijs en Kinderen
A1
Wat is een "diploma"?
A
Een boek
B
Bewijs dat je een opleiding hebt gehaald
C
Een pen
D
Een toets
Vraag 11 / 20
Emoties
A1
Wat is "mooi"?
A
Hetzelfde als lelijk
B
Iets wat je heel fijn vindt om naar te kijken
C
Iets wat vies is
D
Iets wat lawaai maakt
Vraag 12 / 20
Sociaal en Cultuur
A1
Wat is "trouwen"?
A
Eten
B
Een officieel huwelijk aangaan
C
Slapen
D
Werken
Vraag 13 / 20
Eten en Drinken
A1
Wat is "water"?
A
Een eten
B
Een vloeistof om te drinken
C
Een fruit
D
Een groente
Vraag 14 / 20
Onregelmatige werkwoorden
A1
Wat is de verleden tijd van "hebben" (ik)?
A
heb
B
had
C
heeft
D
hadden
Vraag 15 / 20
Emoties
A1
Hoe voel je je als je moet huilen?
A
Blij
B
Verdrietig
C
Boos
D
Bang
Vraag 16 / 20
Eten en Drinken
A1
Wat is dit typisch Nederlandse product?
A
Brood
B
Kaas
C
Wijn
D
Appel
Vraag 17 / 20
Vrije tijd en Sport
A1
Wat doe je op een "feestje"?
A
Huiswerk maken
B
Plezier maken met muziek en mensen
C
Slapen
D
Werken
Vraag 18 / 20
Sociaal en Cultuur
A1
Wat zeg je als je weggaat?
A
Hallo
B
Tot ziens
C
Lekker
D
Alstublieft
Vraag 19 / 20
Onregelmatige werkwoorden
A1
Wat is de verleden tijd van "doen" (jij)?
A
doet
B
deed
C
gedaan
D
doet
Vraag 20 / 20
Natuur en Milieu
A1
Wat is de "zee"?
A
Heel veel zand
B
Heel veel zout water
C
Een groot bos
D
Een stad
🏆
Resultaten
0
/
20