Тестування

Vraag 1 / 20
Wonen A1

Wat heb je nodig om deze deur te openen?

A Een hamer
B Een sleutel
C Een pen
D Een bril
Vraag 2 / 20
Emoties A1

Hoe voel je je als er iets engs gebeurt?

A Blij
B Bang
C Boos
D Moe
Vraag 3 / 20
Eten en Drinken A1

Wat is "thee"?

A Een eten
B Een warm drankje van blaadjes en water
C Een koud sap
D Melk
Vraag 4 / 20
Sociaal en Cultuur A1

Wat is "trouwen"?

A Eten
B Een officieel huwelijk aangaan
C Slapen
D Werken
Vraag 5 / 20
Natuur en Milieu A1

Wat is een "boom"?

A Een dier
B Een grote plant met een stam en bladeren
C Een huis
D Een auto
Vraag 6 / 20
Verkeer A1

Wat draag je in de auto voor de veiligheid?

A Een zonnebril
B De autogordel
C Een hoed
D Handschoenen
Vraag 7 / 20
Media en Communicatie A1

Wat is een "krant"?

A Een film
B Papier met nieuws van elke dag
C Een telefoon
D Een foto
Vraag 8 / 20
Kleding A1

Wat draag je aan je handen als het koud is?

A Sokken
B Handschoenen
C Een muts
D Een riem
Vraag 9 / 20
Dieren A1

Welk dier is "de koning van de jungle"?

A De aap
B De leeuw
C De olifant
D De slang
Vraag 10 / 20
Onregelmatige werkwoorden A1

Wat is de verleden tijd van "komen" (hij)?

A komde
B kwam
C gekomen
D komt
Vraag 11 / 20
Wonen en Buren A1

Wat gebruik je om de vloer te vegen?

A Een hamer
B Een bezem
C Een lepel
D Een tv
Vraag 12 / 20
Familie A1

Wie is de moeder van je vader?

A Mijn tante
B Mijn oma
C Mijn nicht
D Mijn zus
Vraag 13 / 20
Sociaal en Cultuur A1

Wat zeg je als je iemand feliciteert?

A Beterschap
B Gefeliciteerd
C Succes
D Eet smakelijk
Vraag 14 / 20
Weer A1

Wat is wit en koud en valt in de winter?

A Regen
B Sneeuw
C Zand
D Bladeren
Vraag 15 / 20
Onregelmatige werkwoorden A1

Wat is de verleden tijd van "zijn" (hij)?

A ben
B is
C was
D was
Vraag 16 / 20
Natuur en Milieu A1

Wat is de "zee"?

A Heel veel zand
B Heel veel zout water
C Een groot bos
D Een stad
Vraag 17 / 20
Rekenen en Cijfers A1

Wat is "meer": 10 of 20?

A Tien
B Twintig
C Het is gelijk
D Geen van beide
Vraag 18 / 20
Rekenen en Cijfers A1

Wat komt na "negenennegentig"?

A Honderd
B Negentig
C Achtentachtig
D Duizend
Vraag 19 / 20
Verkeer A1

Hoe heet de plek waar je op de bus wacht?

A Het station
B De bushalte
C De luchthaven
D De garage
Vraag 20 / 20
Tijd A1

Hoeveel dagen heeft een week?

A 5
B 7
C 10
D 30
🏆

Resultaten

0 / 20

Помилки: